| Solvabiliteit | geeft aan in hoeverre een organisatie in staat is om aan haar langlopende verplichtingen te voldoen en om eventuele toekomstige verliezen op te vangen op een bepaald moment. Hoe hoger de solvabiliteit, hoe beter. Een kredietverschaffer betrekt dit kengetal in zijn oordeel over de kredietwaardigheid van een organisatie. |
|
Formule solvabiliteit
|
||
| Rentabiliteit | geeft de verhouding weer tussen het resultaat en de omzet. Dit laat zien in hoeverre een organisatie in staat is om haar kosten zodanig te beheersen dat er een optimaal resultaat vanuit de gegenereerde omzet resteert. | |
Formule rentabiliteit
|
||
| De toevoeging aan het eigen vermogen wordt voor de gehele onderzoeksgroep getotaliseerd en gedeeld door de totale omzet, overige opbrengsten en subsidies. Door van deze toevoeging gebruik te maken, wordt rekening gehouden met de privé-onttrekkingen die worden verricht door natuurlijke organisaties, zoals eenmanszaken en Vof’s, en met de af te dragen belasting door BV/NV’s en stichtingen. | ||
|
|
||
| Liquiditeit | geeft aan in welke mate een organisatie aan haar kortlopende verplichtingen kan voldoen op een bepaald moment. Met andere woorden: heeft de organisatie voldoende werkkapitaal? | |
Formule liquiditeit
|
||
| Voor een organisatie is het belangrijk dat de optelsom van de vlottende activa en de liquide middelen minimaal gelijk is aan de vlottende passiva. Dan kan ze aan haar kortlopende verplichtingen voldoen. De liquiditeitswaarde zou dus idealiter tenminste 1 moeten zijn. | ||
|
|
||
| Debiteurentermijn | geeft inzicht in het aantal dagen dat organisaties daadwerkelijk moeten wachten op betaling door de klant. Organisaties hanteren in de regel een betalingstermijn van 14 dagen. Hoe korter de termijn, hoe beter voor de financiële positie van de organisatie. | |
Formule debiteurentermijn
|
||
| Aflossingscapaciteit | de financiële ruimte die een organisatie heeft om aan haar aflossingsverplichtingen te voldoen. Om een goed inzicht voor de gehele onderzoeksgroep te verkrijgen, is voor de volgende formule gekozen (aflossingscapaciteitsratio): | |
Formule aflossingscapaciteit
|
||
| De aflossingscapaciteit is berekend op basis van de toevoeging aan het eigen vermogen plus de afschrijvingen. De aflossingsverplichtingen zijn herleid uit de jaarrekeningen (specificaties van de leningen). Een groot aantal kinderopvangorganisaties neemt de aflossingen voor het komende boekjaar op onder de kortlopende schulden. Dit geeft een helder beeld van de verplichtingen die binnen een jaar staan te gebeuren en maakt de berekening van werkkapitaal zuiverder. Een uitkomst groter of gelijk aan 1 betekent dat een organisatie aan haar aflossingsverplichtingen kan voldoen. | ||
|
|
||
| Omzet per kindplaats | wordt berekend door de omzet te delen door het aantal kindplaatsen. Op basis van de ontvangen gegevens bleek splitsing van de omzet naar HEDO en BSO niet mogelijk. Als maatstaf wordt derhalve het totaal aantal kindplaatsen gehanteerd. In de omzetbedragen wordt enkel de omzet uit exploitatie opgenomen. Overige opbrengsten en subsidies zijn buiten beschouwing gelaten. | |
Formule omzet per kindplaats
|
||
| Personeelslasten per kindplaats | wordt berekend door de personeelskosten en de ondernemersbeloning te delen door het aantal kindplaatsen. Op basis van de ontvangen gegevens bleek splitsing van de omzet naar HEDO en BSO niet mogelijk. Als maatstaf wordt derhalve het totaal aantal kindplaatsen gehanteerd. |
Formule personeelslasten per kindplaats
|
||






