Dit artikel behoort tot de reeks Voorlopers en Meemakers, een serie inspirerende verhalen over onderwijshuisvesting.
Voor de klas in de jaren '50
Oma Tineke van de Laarschot- Gepensioneerd onderwijzeres
Als projectmanager bij Ruimte-OK verdiept Maaike (27) zich in verbeterkansen van onderwijshuisvesting. Inclusieve en duurzame gebouwen, frisse lucht, flexibel ruimtegebruik en een prettige temperatuur en akoestiek: alles voor een fijne leer- en werkomgeving. Hoe anders was dat toen haar oma Tineke (88) eind jaren ‘50 startte als juffrouw van de vierde klas. Maaike gaat met haar oma in gesprek over het vroegere normaal.
Een klas met 52 kinderen
‘Het was oorspronkelijk een paardenstal, de eerste school waar ik na de kweekschool voor de klas stond,’ zegt mijn oma nuchter. ‘Ze hadden er een verdieping in gemaakt, met beneden en boven drie lokalen. Beneden gaf het hoofd van de school les aan de zesde klas. Ook de eerste en de tweede klas waren beneden. Voor de andere klassen moest je met een houten trap naar boven. Daar was mijn klas.’
Ik probeer het me voor te stellen. Een paardenstal met een verdieping. Hoe zou het er geroken hebben? Kinderen, leerkrachten en dan al die jassen, tassen en schoenen. Geen leerpleinen, brede gangen of hoge ramen. Geen teamkamer. Nergens extra ruimte. Gewoon zes lokalen en een paar toiletten, punt. Wauw.
‘In mijn eerste jaar startte ik met lesgeven aan de vierde klas. Een groep van vijftig leerlingen, waarvan er acht waren blijven zitten. Na de herfstvakantie kwamen er nog twee bij. Een tweeling. Toen had ik er tweeënvijftig. Het lokaal was best groot, maar met zoveel kinderen was het toch krap.’
Oma vertelt nuchter en met een lach. Ik zie aan haar dat ze het leuk vindt om in gedachten terug te gaan naar die tijd. Maar ik slik. Ik heb korte tijd lesgegeven als docent maatschappijleer en vond klassen met dertig leerlingen al veel.
‘De banken zaten aan elkaar vast en vormden een hele rij. Voor de tweeling hebben we er een tafeltje bijgezet. Als ik een kind vroeg iets op het bord te schrijven, dan moest de hele rij uit de banken schuiven. Dat maakte de les onrustig en rommelig. Zes dagen per week was er school. De laatste weken van het schooljaar waren best zwaar. Naast het maken van de rapporten, moest ik met de kinderen de avondvierdaagse lopen. Dan fietste ik na school 12 kilometer naar huis voor het avondeten en dan weer terug om met de kinderen 10 kilometer te lopen. Ik moest de hele groep bij elkaar zien te houden, dus liep wel twee keer zoveel.’
Werktijden, alle extra’s die van haar werden verwacht; mijn oma klaagt er niet over. In die tijd dacht je er niet echt over na. Het was heel normaal en je deed het gewoon.
Kolenkachelcomfort
‘Elk lokaal had één grote kolenkachel. In de winter stak de conciërge ’s morgens de kachel aan en die moest je als onderwijzer zelf aan zien te houden. Tussen de middag ging ik beneden kolen scheppen en die tilde ik in een emmer de houten trap op. Als ik dat vergat, dan werd het al snel koud. Gelukkig warmen tweeënvijftig kinderen een lokaal samen ook wel een beetje op!’
Zelfs een beetje comfort was toen geen vanzelfsprekendheid. Dit moet het vak van leerkracht er niet bepaald makkelijker op hebben gemaakt. Maar voor mijn oma en de kinderen waren die omstandigheden heel normaal.
Wat klinkt je als muziek in je oren als het gaat om ruimte, kwaliteit en flexibiliteit?‘Er was geen schoolplein. De kinderen speelden in een soort groenstrook, in het midden van de laan. Links en rechts passeerden auto’s. Na het speelkwartier ging de bel en dan moesten ze allemaal netjes in de rij staan. Als één gesloten groep staken we over. Anders ging het niet.’ Ik denk aan hedendaagse discussies over haal- en brengzones, verkeersveiligheid, oversteekouders, buitenruimte. Vroeger werd dit allemaal met orde en discipline opgelost. Er waren allerlei regels, waar jong en oud zich aan te houden had. Ik weet dat oma moest stoppen met werken toen ze trouwde, maar dat ze een aantal jaren later weer als juf aan het werk is gegaan op een andere school. Hoe was dat?
‘Op de school waar ik toen ging werken, kregen we rond 1980 een nieuw gebouw. Dat was groter en had meer ruimtes. Het had echter geen gymzaal. Daar moest ik iedere week lopend met de klas naartoe. De kleuterschool en de lagere school zaten samen onder één dak. Later heette dat officieel een basisschool. Er waren lange gangen met tegels. En het schoolhek was een telraam! Het was nog steeds geen luxe, maar het gebouw was wel meer doordacht. Dat was al een hele vooruitgang. Er is met de tijd veel veranderd.’
Vroeger was een schoolgebouw niet echt een onderwerp van gesprek. Het was een gegeven waarnaar je je schikte. Niet dankzij, maar vaak ondanks het gebouw, werd vroeger hard gewerkt aan goed onderwijs. Wat een verschil met nu. We praten over inclusie en duurzaamheid, denken na over de positie van elk stopcontact en iedere zichtlijn. En zijn ons steeds meer bewust van de meerwaarde van een gebouw voor fijn leren én lesgeven. Gelukkig maar, mocht ik zelf opnieuw de keuze maken om voor de klas te gaan staan.