Richtlijnen

Door voor uw organisatie borg of garant te staan, neemt het Waarborgfonds een financieel risico dat samenhangt met uw bedrijfsrisico. Uw bedrijfsrisico wordt beïnvloed door bepaalde beslissingen of (veranderende) omstandigheden. Hier vindt u de specifieke richtlijnen die voor een aantal daarvan gelden.

1. Meerdere aanvragen

Organisaties kunnen tegelijkertijd of opeenvolgend meerdere aanvragen voor borgstellingen en garanties indienen. Het Waarborgfonds zal telkens opnieuw beoordelen hoe groot het beslag van één (groep van) organisaties(en) mag zijn op het garantiekapitaal van het Waarborgfonds. Aan de hand van het risicoprofiel van de betreffende organisatie, wordt het in totaal toegestane borgstellingbedrag bepaald.

Terug naar boven

 

2. Meerdere activiteiten

Als een aanvrager naast kinderopvang andere activiteiten zoals welzijn of onderwijs uitvoert, kan een borgstelling of garantie enkel worden verstrekt aan het kinderopvangdeel. Dat deel moet dan ook eerst worden ondergebracht in een afgesplitste entiteit. Voor bestaande organisaties met meerdere activiteiten betekent dit dat er moet worden ontvlochten.

Tegenstrijdig belang

Normaliter wordt een vennootschap vertegenwoordigd door haar bestuurder(s). De bestuurder verricht namens de vennootschap rechtshandelingen. In geval van meerdere activteiten binnen een organisatie kan er bij het al dan niet verrichten van een rechtshandeling sprake zijn van tegenstrijdig belang tussen (de bestuurders van) de diverse activiteiten. In een situatie van tegenstrijdig belang in de zin van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gelden er specifieke wettelijke bepalingen voor de vertegenwoordiging. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een borgstelling of garantie wordt hierop getoetst. Indien nodig wordt de organisatie geadviseerd bepaalde aanpassingen te plegen.

Terug naar boven

 

3. Financieringsvorm lening

In hoofdstuk 1, paragraaf 2.6 van het Reglement voor borgstellingen en garanties wordt het begrip "lening" gedefinieerd. Uitgangspunt voor de geborgde financiering is een lineaire aflossing die gelijkloopt met de jaarlijkse (lineaire) inperking van de borgstelling. Hierbij dient te worden gekozen voor een langlopende rentevaste periode (minimaal vijf jaar).

Indien de aanvrager wenst af te wijken van dit uitgangspunt, kan men hiervoor een verzoek indienen. Bij de beoordeling hiervan wordt vooral bekeken of de organisatie voldoende aantoont wijzigende condities binnen de exploitatie te kunnen opgevangen - een verhoging van het rentepercentage bijvoorbeeld. Als het verzoek wordt ingewilligd, zal in de regel toch voor een lineaire inperking van de borgstelling worden gekozen.

Terug naar boven

 

4. Toerekening investering

Als kinderopvang wordt geëxploiteerd in een accommodatie met daarnaast andere functies (zoals school, sport, wonen, etc.), moeten eventuele investeringen worden toegerekend aan de kinderopvang. Daarvoor gelden de volgende richtlijnen:

a) Multifunctionele accommodatie

Er kunnen twee varianten optreden:

  • De kinderopvangruimte is qua vierkante meters duidelijk definieerbaar: dan kan voor dit deel een duidelijk gespecificeerd investeringsplan en eventueel taxatierapport worden overgelegd. Op basis hiervan worden de investeringen toegerekend en kan de hoogte van de maximale borgstelling worden vastgesteld.
  • Ruimtes worden door diverse partijen waaronder kinderopvang gebruikt: dan kan de investering in de regel aan kinderopvang worden toegerekend als de ruimte er in de reguliere opvanguren daadwerkelijk voor wordt gebruikt. Per geval zal in redelijkheid en billijkheid worden beoordeeld of er kan worden toegerekend aan kinderopvang.

b) (Privé)woning

Er dienen twee investeringen onderscheiden te worden:

  • De aankoop van het pand: hiervoor is een taxatie nodig waarin duidelijk beschreven staat welke vierkante meters voor het woonhuis en welke voor de kinderopvang zijn bestemd. Op basis daarvan wordt het aan kinderopvang toe te rekenen deel van de aankoopkosten bepaald. Daarnaast kan op deze manier de zekerheid uit het pand worden berekend om de hoogte van de borgstelling te bepalen.
  • Overige investeringen: hierbij kan gedacht worden aan verbouwing en inrichting. Daartoe dienen duidelijke en gespecificeerde offertes te worden overgelegd, die aantonen dat de investeringen daadwerkelijk voor kinderopvang bestemd zijn. Als bij het Waarborgfonds twijfel bestaat over de toerekening van investeringen, zal de aanvrager een en ander nader moeten aantonen.

Terug naar boven

 

5. Boetetoemeting

De hoofdstukken 2, 3 en 5 van het Reglement voor borgstellingen en garanties biedt het Waarborgfonds de mogelijkheden om organisaties met een borgstelling of garantie sancties op te leggen in de vorm van een boete. Daarbij wordt de volgende richtlijn in acht genomen:

a) Een boete kan worden opgelegd als de organisatie zich niet houdt aan haar verplichtingen uit hoofde van het reglement voor borgstellingen en garanties en/of de overeenkomst ten behoeve van de borgstelling en/of huurgarantie.

b) Een boete kan worden opgelegd als het Waarborgfonds meent dat de organisatie niet aan haar financiële verplichtingen jegens de kredietverschaffer (zoals bedoeld in hoofdstuk 2 artikel 4.2 van het reglement) of de verhuurder (zoals bedoeld in hoofdstuk 3 artikel 4.2 van het reglement) kan voldoen, of vreest dat een dergelijk risico op enig moment zal ontstaan.

c) Per overtreding bedraagt de boete maximaal € 10.000,-. Het Waarborgfonds heeft de discretionaire bevoegdheid tot vaststelling van de hoogte, afhankelijk van de ernst van de handelingen en/of het nalaten door de organisatie en afhankelijk van de duur van de overtreding. Het opleggen van een boete laat de mogelijkheid onverlet om de eventuele schade die het Waarborgfonds door de overtreding lijdt op de organisatie te verhalen.

d) De organisatie zal schriftelijk worden geïnformeerd als het Waarborgfonds overweegt een boete op te leggen, en het zal daarbij de omvang van de boete en de feiten en gronden daarvoor meedelen.

e) Als de organisatie wil reageren op het voornemen van het Waarborgfonds, en/of van mening is dat de vermelde feiten onjuist en/of onvolledig zijn, dient ze dat binnen 14 dagen na dagtekening van het bericht van het Waarborgfonds schriftelijk aan het Waarborgfonds mee te delen. Het Waarborgfonds zal hierop schriftelijk reageren binnen een redelijke termijn na ontvangst van het schrijven van de organisatie. Als wordt besloten de boete op te leggen, wordt gemotiveerd waarom het voornemen niet is gewijzigd naar aanleiding van het bericht van de organisatie.

f) Als de organisatie binnen 14 dagen na dagtekening niet op het eerste schrijven van het Waarborgfonds heeft gereageerd, kan het Waarborgfonds - schriftelijk en gemotiveerd - besluiten een boete op te leggen.

g) De organisatie kan verzoeken om herziening van het boetebesluit van het Waarborgfonds. Dit wordt gedaan door middel van een aan de Raad van Bestuur van het Waarborgfonds gericht aangetekend schrijven, waarin wordt aangegeven dat het verzoek tot herziening is gericht tegen het boetebesluit en waarin de gronden van het verzoek tot herziening van het boetebesluit zijn vermeld. Het verzoek tot herziening van het boetebesluit moet zijn ontvangen binnen 8 weken na dagtekening van het boetebesluit waarvan herziening wordt gevraagd. Verzoeken tot herziening van het boetebesluit worden behandeld conform de daartoe door het Waarborgfonds vastgestelde herzieningsregeling.

Terug naar boven

 

6. Wijziging rechtsvorm of financier

Met het oog op risicobeersing dient een organisatie met een borgstelling of garantie een verzoek tot 'verklaring geen bezwaar' aan te vragen als ze de eigen rechtsvorm wil wijzigen. Voor beoordeling van dit verzoek moet de organisatie een aantal zaken aanleveren, zoals onder andere de openingsbalans met bijbehorende toelichting en waarderingsgrondslagen. Als het risicoprofiel van de organisatie naar oordeel van het Waarborgfonds door de wijziging verslechtert, zal het Waarborgfonds niet of onder voorwaarden akkoord gaan.

Bij een verandering van financier geldt het bovenstaande eveneens.

Terug naar boven